XCIV

Si treslas fut d’environner le Monde
Le Dieu volant, qu’en Mer il s’abysma:
Mais retournant a chef de temps sur l’unde,
Sa Trousse print, & en fuste l’arma:
De ses deux traictz diligemment rama,
De l’arc fit l’arbre, & son bendeau tendit
Aux ventz pour voille, & en Port descendit
Tresjoyeux d’estre arrivé seurement.
 Ainsi Amour, perdu a nous, rendit
Vexation, qui donne entendement.

Vertaling

Zo erg moe van rond de Wereld te toeren
was [Amor] de vliegende God, dat hij zich in Zee stortte:
maar hij kwam na enige tijd weer [boven]op de golven [en]
nam zijn karkas en rustte het uit als een fust:
zorgvuldig ondersteund door zijn twee pijlen
maakte hij van zijn boog de mast en zijn windel hield
hij in de wind als zeil, en in de Haven kwam hij aan
zeer blij om behouden te zijn aangekomen.
Zo geeft (ons) de Liefde terug, die wij verloren hadden,
de Kwelling (=onderwerp van de zin) , die begrip geeft.

Commentaar

VEXATIO DAT INTELLECTUM (Last, moeilijkheid geeft vernuft) is een bekende spreuk ten tijde van Scève, getuige het embleem bij Barthélémy Aneau in diens Picta Poesis (Lyon 1552). Op het prentje zien we Deucalion en Phyrra bidden tot Jupiter omdat ze gespaard bleven van  (Ovidius’ versie van) de zondvloed:

FANa035

zie verder http://www.emblems.arts.gla.ac.uk/french/emblem.php?id=FANa035

De betekenis van het embleem in het boek van Aneau, een boek  dat meer dan 10 jaar na de Délie verscheen, is  de idee dat mensen vaak uit vrees religieus worden en zich in tijden van onheil tot God wenden, dus eerder uit eigenbelang. EX METU RELIGIO, vel VEXATIO DAT INTELLECTUM. Geloof komt van Vrees, of  Problemen maken Slim.

VEXATIO in de bijbel

Eeuwen later brengt Arthur Schopenhauer  deze spreuk ter sprake maar geeft er een veel positievere wending aan: de noodzaak dwingt de wezens tot hogere intelligentie. De spreuk zou volgens Schopenhauer in deze passage voortkomen uit het profetenboek Isaiah uit de bijbel, maar dat ligt toch wat moeilijk. Om te beginnen komen de woorden waarnaar Schopenhauer denkt te moeten verwijzen niet uit Isaiah 29 zoals de vertaler in een noot poogt te verduidelijken, maar uit Isaiah 28, vers 19 om precies te zijn:

“quandocumque pertransierit tollet vos quoniam mane diluculo pertransibit in die et in nocte et tantummodo sola vexatio intellectum dabit auditui”

Isaiah 28:19 in het Vulgaat

de vertaling van het N. Bijbelgenootschap in 1979 is niet veel soeps, maar bon:

“Zo dikwijls als hij zal doortrekken, zal hij u grijpen; want morgen aan morgen zal hij doortrekken, bij dag en bij nacht, en het verstaan van de openbaring zal louter verschrikking zijn.”

Zit er iemand op toilet? Wat wordt er geopenbaard? Laten we het gehele hoofdstuk er ’s op nalezen.

Isaiah 28 is de profetie over Samaria, waar de zondaars  zich middels hun verbond met de dood veilig achtten voor de gesel Gods (flagellum).:

“Wij hebben een verbond met den dood gemaakt, en met de hel hebben wij een voorzichtig verdrag gemaakt; wanneer de overvloeiende gesel doortrekken zal, zal hij tot ons niet komen; want wij hebben de leugen ons tot een toevlucht gesteld, en onder de valsheid hebben wij ons verborgen.”

God plaatst echter een fundament, een steen in hun midden en stelt op basis daarvan zijn gericht in, plaatst iudicium in pondere et iustitiam in mensura’ (correctheid in de gewichten en rechtvaardigheid in de maten) en vanaf dan zal de gerechtigheid de schuilplaatsen van de bedriegers vernietigen, en de gesel zal hen dag en nacht te beurt vallen en het begrijpen zelf zal hen een kwelling zijn. (Op een of andere manier doet mij dit heel erg aan het Rationalistische Project van Reza Negarestani denken. Soit.)

Dat is natuurlijk iets helemaal anders : de vexatio leidt niet tot inzicht, het inzicht zèlf is een kwelling. Kunnen we Schopenhauer in dezen dan accrediteren met bijbelvastheid? Met de beste Wil van de wereld niet, Arthur!

Waarom hebben we dan Schopenhauer in deze discussie betrokken? De oorzaak is banaal, de redenen bewijzen met Derridiaanse bravoure de geldigheid van het gezegde.
Eenduidiger dus: wat zijn mijn redenen om Schopenhauer hier op te voeren?

Wel, ten eerste: het toont aan dat bekende spreuken hun gezag kunnen ontlenen aan gezaghebbende bronnen die niet bestaan en vervolgens zelfs door de knapsten onder de verlichte geesten kunnen gebruikt worden om totaal, maar dan ook totaal iets anders te beweren dan waar ze oorspronkelijk voor werden gebruikt. Dit is geen postmodernistische tongsplijterij, dit is gewoon basic filologische tekstkritiek. Er staat wat er staat, zou Hamelink zeggen.

Verder, in tweede instantie: wat de briljante Schopenhauer ons met deze spreuk wou uitleggen benadert veel dichter wat Scève op het oog heeft dan het embleem en dus de betekenis van de spreuk in wat we gemakshalve maar een bredere context zullen noemen. De interpretatie van Schopenhauer van wat volgens hem (in de tweede uitgave van zijn werk) een Italiaanse spreuk was, geeft Scève’s gebruik van het concept een attractieve ruimte en actualiseert zowel Scève als Schopenhauer – figuren die beiden geassocieerd worden met een schier troosteloos pessimisme – als optimistische denkers van de positieve noodwendigheid.

Ten derde: het stelt mij als tussenstap in staat om met het concept van ‘vexatie als bron van begrip’  de hinkstapsprong naar het heden te wagen. Vanuit de Bewegingsleer van de NKdeE hanteren we een dynamische visie op de levensloop van het concept, en natuurlijk willen we nagaan hoe de gedachtewending zoals die door Scève werd opgetekend, doorheen de geschiedenis al dan niet haar eenheid van bewegingsvorm bewaart. Er is eenheid van beweging in de concepten doorheen de geschiedenis, zo luidt het axioma, maar de eenheid is zelf een beweging: het concept is constant maar het wiebelt.

Tenslotte is Schopenhauer een goede link om het Scève-onderzoek te laten aansluiting vinden bij ons beschouwen van de ontwikkeling van een AGI, waar duidelijk wordt dat de Bildungsidee in het Duitse Idealisme hoogst relevant kan zijn bij het vormen van een bruikbaar actueel begrip van intelligentie en bewustzijn.

Dat we de link enkel konden leggen via een banale zoekopdracht op Google waarvan dit ene resultaat onze aandacht trok vanwege een slordigheidje van de grote filosoof is als toeval dermate gelukkig dat het verontrustend wordt.

VEXATIO in Microcosme en de bijbel, dan toch.

Michèle Clément brengt in haar introductie op haar editie van Microcosme ook Scève’s preoccupatie met het verband tussen troubles (vexatio) en begrip ter sprake en verwijst naar de regels 441-444 uit het eerste deel daarvan:

Lors l'homme humilié en sa peine, et sa faute
 Se r'assure eslevant sa pensée plus haute
 Par la vexation, qui luy eveille un soin
De pourvoir diligent à son futur besoin.

(Wanneer de mens, vernedert door zijn straf, en zijn fout
Zich geruststelt en zijn denken hoger verheft
Door de vexatie, die hem een zorg wekt
Van kracht toegewijd aan zijn toekomstige nood)

Clèment legt uit dat Scève een mensbeeld opbouwt dat het net moet hebben van de tweespalt tussen enerzijds de (goddelijke) waardigheid en de onvermijdelijke miserie, onze erotische ellende, een rechtstreeks gevolg van de zondeval. Maar onze ‘déchance’ is ook onze ‘chance’, want de zondeval noodzaakt ook onze vindingrijkheid. Ons geluk bij een ongeluk wordt in Microcosme gethematiseerd als ‘erreur heureuse’ of zelfs ‘erreur risible’: God amuseert zich immers kostelijk met onze Babelse toerkens en elke misstap openbaart een nieuwe kans tot vooruitgang (zie CLEMENT 2016 p.42-43).

In een voetnoot bij de passage in Microcosme geeft Clément Spreuken 29:15 als herkomst van de spreuk zoals we die van Aneau kennen:

virga atque correptio tribuet sapientiam puer autem qui dimittitur voluntati suae confundet matrem suam

Ons Genootschap: “Roede en bestraffing geven wijsheid, maar een aan zichzelf overgelaten knaap maakt zijn moeder te schande”.

Nu ben ik door het falende gezag van de wijsgeer hierboven misschien iets te wantrouwend geworden, maar vindt u dit extract ook niet nogal slapjes? Het educatieve voordeel van de straf bij het verwerven van kennis is een ding, de idee dat tormentatie, vexatie, kwelling en plagerij het verstand als dusdanig aanscherpt is toch weer totaal wat anders.

Ik heb nog een andere plaats gevonden waar de formule ‘VEXATIO DAT INTELLECTUM’ toegeschreven wordt aan Spreuken 29:15, namelijk deze commentaar van Matthew Henry daterend van 1701. Maar dezelfde commentator onze formule ook probleemloos in verband met Zacharia 13:6 waar tijdens de uitroeiing van de afgoderij in Jerusalem de zichzelf ontkennende profeten worden bestookt met vragen over hun wonden, die dan zouden getuigen van ‘stichtende’ opvoeding.

Eeven wel sinds Juan de la Cruz

Al bij al lijkt het er fel op dat de formule ‘VEXATIO DAT INTELLECTUM’ in de bijbel wordt ingelezen: er is geen enkele lexicale link in het Vulgaat (buiten bij Schopenhauers dwaalduider) en de bijbelpassages halen telkens de platitude aan dat de opvoeding gediend is met (lichamelijke) bestraffing. De betekenis van de formule zelf zoals die door het embleem van Aneau wordt in beeld gebracht is anders en ruimer dan het educatieve: vexatie (straf/moeilijkheden) scherpt het verstand.

Zelfs al laten we de post-moderne vraag naar het waarom van deze op zijn minst verdachte bijbellezing achterwege, dan blijven we nog met een kanjer van een vraag: van waar komt de idee dat vexatie het verstand scherpt? Van Scève zelf? Ik zou het gaarne bevestigen want dan mag men Scève voortaan bijschrijven in de galerij der conceptuele vernieuwers. Het feit dat het een wederkerend thema in zijn werk is pleit daarvoor: het boek van Aneau is acht jaar na de Délie gepubliceerd en de Franse versie ervan vertaalt het Latijn letterlijk in Scève’s woorden: geen ‘intelligence’ of ‘savoir’ of enig ander woord maar VEXATION DONNE ENTENDEMENT‘.

En als je dan de passage in Microcosme, 10 jaar na de immens populaire Picta Poesis, terugleest, dan leest dat bijna als een correctie: Scève wil zich misschien wel distantiëren van die dichte verbinding van bestraffing met opvoedkundige doeleinden en expliciteer nog eens wat hij bedoelde in het dizain: het is niet de vernedering van de straf maar het herstel daarvan, de vexatie, de omwoeling, het wakker schudden, wekken tot een hogere vorm van denken, dat aanspoort tot een betere zorg en kracht in de toekomst.

 

Vexation donne entendement, dit le sage

Komt uit Jouvencel, f° 20, dans LEROUX DE LINCY, t. II, p. 498: zo staat het in de Littré bij het lemma ‘vexation’. Een beetje een anticlimax, maar ja wat wil je, als iedereen je zonder enige reden naar de bijbel stuurt.

De Roman de Jouvencel wordt ons nieuw basiskamp bij het zichtbaar uitdeinende onderzoek. Ondertussen merken we de neiging om een volkse wijsheid te willen legitimeren door gezaghebbende geschriften, een variant op de aloude auteursmythe die rechtstreeks terug te voeren is op een godsvraag, de kweekbodem van het gevreesde Aristotelesvirus (Flagellum Ari Ario  recursum).

Zou de ‘vexation’ door Scève uitdrukkelijk in verband gedacht en gebracht met de god van de liefde niet eerder een plezier dan een straf zijn en dienen de bijbelreferenties niet om de sensuele onrust weg te citeren?  Who is vexed by what presence?

Olivier de Magny, vrij van vexatie

Ergens vòòr 1557 als nummer 54 in een reeks verzuchtingen in sonnetvorm schreef Olivier de Magny (1529-1561) de Parijse aanbidder van Louise Labé het onderstaande euh, vers. Buiten enkele andere evidente vormen van gebrek, is deze tekst ondanks alle inhoudelijke gelijkenissen met het dizain, ook gekenmerkt door een geheel gebrek aan Vexatio, Intellectum of enige combinatie daarvan.

Het zou kunnen natuurlijk dat Olivier deze Soupir pleegde in navolging van de Meester uit Lyon, maar de aard van de tekst spreekt dat helemaal tegen. Het is met name nogal een flutgedicht. De bewering zou natuurlijk folologisch moeten worden onderbouwd maar laat ons een kat een kat noemen: het dizain van Scève lezen en dan dit schrijven, dat kàn gewoon niet.

Overigens, als je effen door dat Zuchtenboek van Olivier bladert, kom je al snel bij de ongemakkelijke gedachte dat de dood niet voor elke jong gestorven dichter een te wreed en voorbarig einde is. Soms lijkt 32 jaar wel een eeuwigheid.

Een al te streng oordeel misschien, maar zeker is wel dat Magny voor deze tekst een voorbeeld moet gehad hebben, en dat, aangezien het vrijwel zeker niet de tekst van Scève kan geweest zijn, er aan de basis van beide teksten een gemeenschappelijk voorbeeld, een verhaal moet gelegen hebben. De vraag is dan natuurlijk: welk voorbeeld welk verhaal?

Sonnet LIIII

L’avoy fait de mes pleurs un fleuve spacieux, 
Ou de fortune Amour par qui ie les distille, 
Faillit de se noyer, car son asle mobile, 
Moitte de cette humeur, ne sceust voler aux cieux.

Sans prendre long conseil, pour se garantir mieux, 
Il feit de son carquois une barque subtille,
Un mast feit de son arc à navrer tant habille 
Et une voile feit du bandeau de ses yeux.

De la corde de l’arc des cordaiges il feit, 
Ses traits d’or & de plomb pour auirons il meit, 
Et de mille souspirs il feit enfler sa voile :
 
Et voyant ma Maistresse à l’heure sur le bord, 
Il invoqua son aide, & parvint à bon port, 
Ayant son oeuil divin pour Phare & pour estoille.

Gerard Defaux heeft het niet gevonden, dat geeft hij grif toe. En hij zegt ons meteen erbij waar we niet moeten zoeken: niet bij Boccacio, niet bij Conto, Giraldi of Cartari (DEFAUX 2004, Tome II, p.132-133). Hij bezorgd ons nog wel twee emblemata die minstens verwant zijn:

  •  embleem 67 van de Hecatongraphie van Gilles Corrozet
  • het embleem ‘In Astrologus’ , nummer 104 van Alciat met Icarus

VEXATION en de Liefde

Bij Scève wordt het heel wat positiever: wat we missen, de Liefde, vergoddelijkt tot vliegende Amor, stort zichzelf uitgeput in zee maar  toont zich dan weerbaar door op vernuftige wijze  te metamorfoseren in schip: karkas wordt romp, pijlen dwarshout, de hoofddoek zeil en de boog mast. Alzo: hop naar de veilige Haven (r.1-8).

In de slotregels (r.9-10) maakt Scève dan de analogie duidelijk, maar verwikkelt die meteen in een spel van simulatio en dissimulatio met de verwachtingspatronen van de lezer*: de bekende formule VEXATIO DAT INTELLECTUM wordt doorbroken door in de markante zinsbouw de Vexation tussen wat ze geeft te zetten: geen hardleers verworven inzicht zoals men kan verwachten, maar de Liefde die we kwijt waren en ‘entendement’, wat als ‘begrip’ toch heel anders klinkt dan het statisch-strenge INTELLECTUM.

De vexatie die we in het dizain hebben doorstaan in de eerste 8 regels was alles behalve tragisch, of pijnlijk. De alomgegeerde knaap met zijn pijltjes is ocharme uitgeput en stort in zee, maar tot ons plezier doet hij een Transformertruuk en vaart hij zo behouden de Haven in. Plezier en intellectueel genot waarmee de Minnaar natuurlijk ook poogt de liefde terug in het hart van zijn idool te brengen.

* Ik ben net een studie van Armin Brülhart over de Ring van Heinrich Wittenwiler op het spoor gekomen die blijkbaar op bijzonder intrigerende wijze het spel van de auteur met het verwachtingspatroon van de eigentijdse lezer uit de doeken doet. ’t Is wel in ’t Duits, dedju

Advertenties