CCLVII

Tu es, Miroir, au cloud tousjours pendant,
Pour son image en ton jour recevoir:
Et mon coeur est aupres d’elle attendant,
Qu’elle le vueille aumoins, appercevoir.
   Elle souvent (ô heureux) te vient veoir,
Te descouvrant secrette, & digne chose,
Ou regarder ne le daigne, & si ose
Ouir ses pleurs, ses plainctz, & leur sequelle.
Mais toute dame en toy peult estre enclose,
Ou dedans luy aultre entrer n’y peult, qu’elle.

Vertaling

Jij bent, Spiegel, aan de haak altijd hangende
om haar beeld en jouw dag te ontvangen:
en mijn hart is dicht bij haar wachtende
dat zij hem op zijn minst zou zien.
Zij komt vaak (o gelukkige) bij jou kijken
en vertelt jou geheimen en serieuze dingen,
maar zij verwaardigd zich niet hem te bekijken & toch durft ze
zijn zuchten en klachten en hun vervolg te aanhoren.
Maar in jou kan iedere dame bevat zijn,
waar in hem niemand anders kan komen dan zij.

Noten

Uitgewerkte vergelijking tussen de spiegel van Délie en het hart van de Dame. In al zijn ongeluk (zij negeert hem totaal en de spiegel kan haar elke dag zien) ‘wint’ toch het hart omdat er daar enkel plaats is voor haar.

Als je deze serie van 9 als een vervolgverhaal in de amoureuze evolutie leest, kan je fantaseren dat de jaloezie opgewekt door het Venus-Marguerite dizain (D255) enkel resulteerde in langgerekt verdriet van de Amant (D256) en zou dit het wiedergüttmachungsgedicht kunnen zijn (“maar je weet toch dat er in mijn hart enkel plaats is voor jou”).

Dat hoeft niet, natuurlijk.

Advertenties