XIII

L’oeil, aultresfois ma joyeuse lumiere,
En ta beaulté fut tellement deceu,
Que de fontaine estendu en ryviere,
Veut reparer le mal par luy conceu.
   Car telle ardeur le coeur en à receu,
Que le corps vif est jà reduict en cendre:
Dont l’oeil piteux fait ses ruisseaulx descendre
Pour la garder d’estre du vent ravie,
Affin que moyste aux os se puisse prendre,
Pour sembler corps, ou umbre de sa vie.

 

Vertaling

Het oog, vroeger mijn blije licht,
is door jouw schoonheid zo [erg] bedrogen,
dat het, van fontein uitgebreid tot rivier,
het door haar aangerichte kwaad wil herstellen.
Want zulk een vuur heeft het hart ervan ontvangen
dat het levende lichaam al herleid is tot as:
Zo laat het meelijdend oog  haar stromen dalen
om [de as] te weerhouden dat het door de wind geroofd zou worden,
zodat het zich vochtig aan het been zou kunnen hechten
om lichaam te lijken, of  schaduw van haar leven.

 

Commentaar

Gérard Defaux (DEFAUX 2004) wil hier een referentie lezen naar de Prometheus scheppingsmythe, maar daar is weinig reden toe. Prometheus mengde, volgens Ovidius als tweede optie (de eerste was dat de mens uit goddelijk zaad voortkwam) aarde met regenwater tot een kneedsel ‘naar het beeld van de goddelijke heersers’ (zie Metamorfosen I, 76-86). Ik zou die verzen hier ook kunnen citeren maar dat werkt alleen maar verwarrend vind ik,  want het heeft er gewoon niets mee te maken. As is geen aarde en tranen zijn geen regenwater. Het verband heeft weinig greep buiten de duidingsdrang van de legger ervan.

Het zou natuurlijk best kunnen dat Scève hier een ander voorbeeld volgt, de originaliteit is niet echt een issue, wat belangrijk is dat het beeld geheel in de ‘stijl’ van Scève opgebouwd en beschreven wordt: nauwgezet, strikt de ratio volgend en meesterlijk plastisch in het volgen van de beweging.

Laat ons enkele malen die beweging proberen volgen, omschrijven, herhalen, inoefenen. Op die wijze kan de melodie, de muzikale frase van het dizain bij herlezing helder klinken in onze gedachten, hoe de betekenaar ‘as’ in het Frans rijmt met het nederdalen van de tranen, hoe de herinneringen als sintels uit het verdriet opgloeien, hoe het slotakkoord de cendre laat samenvallen met  ‘umbre de sa vie’. Het meesterschap van Scève ligt juist in het combineren van betekenis, klank en beeld tot het geheel van de denkbeweging. Het gedicht vraagt om te mogen gebeuren.

Aldus: de  ‘mordure’ zoals McFarlane het noemt, de beet van het innamoramento, het coup de foudre ogenblik van de Petrarceske ontmoeting heeft haar werk gedaan en verdeeld de tijd van de minnaar in een blij verleden en een meelijwekkend heden. De bliksemschicht, de pijl die door het oog  het hart van de ik-figuur dodelijk verwondde heeft het levende lijf tot as herleid.

Het kwatrijn vat de gebeurtenis samen met het oog als agens in het verhaal: vroeger was het oog bron van blijdschap, maar sinds het getroffen is zoals we lazen in de vorige dizaines, heeft het berouw om wat het aangericht heeft en wil het, verbreed van springlevende fontein tot trage rivier van de tristesse, de aangerichte schade herstellen.
want wat is er gebeurd? Het beeld van idool Délie was dermate intens en verschroeiend dat het de getroffene tot as herleid heeft, weerloos ten prooi aan de wind van het gebeuren.
Het kwaad is geschied maar het oog kan nog wel pogen de as bevochtigen met tranen van verdriet om zo de as in staat te stellen zich alsnog te hechten aan de beenderen, het resterende geraamte. Alles wat nog komt is slechts semblance, schaduw van het leven dat verloren is. Het medelijdend oog maakt nog een beschermende omhelzende beweging tegen de rovende wind, maar kan enkel de as nog bevochtigen tot een schijn van leven.

Afbeelding

delie13
dv 2017 – “Délie XIII” – ink, pencil & water color –  A5
Advertenties