XII

Ce lyen d’or, raiz de toy mon Soleil,
Qui par le bras t’asservit Ame, & vie,
Detient si fort avec la veue l’oeil,
Que ma pensée il t’à toute ravie,
Me demonstrant, certes, qu’il me convie
A me stiller tout soubz ton habitude.
  Heureux service en libre servitude,
Tu m’apprens donc estre trop plus de gloire,
Souffrir pour une en sa mansuetude,
Que d’avoir eu de toute aultre victoire.

 

Vertaling

Deze gouden band, straal van jou mijn Zon
die met de arm mijn ziel en leven aan jou knecht,
weerhoudt zo sterk met het zicht het oog
dat hij mijn denken voor jou geheel heeft geroofd
[en] het mij aantoont, zeker, dat hij mij noodt
om mij te vormen naar zijn habijt [‘habitude’: gewoonte].
Gelukkige dienst in vrije servitude,
jij (de service) leert mij dus (te) veel meer glorieus [‘de gloire’: van glorie] te zijn,
voor één te lijden in haar zachtmoedigheid
dan van elke andere de overwinning te hebben.

 

De scène: de Amant draagt een ‘lyen d’ or’ een gouden band (de haarlok van D.8? het ligt voor de hand bij de lezing maar er is geen objectieve reden om deze woorden te identificeren met ‘un las de tes cheveulx’ daar) en mijmert daarover vermoedelijk in afwezigheid van de beminde (hij spreekt uiteindelijk over haar in de derde persoon (‘souffrir pour une’).

Het argument: deze gouden band toont mijn ziel en leven als onderdanig aan jou en doordat hij mijn aandacht (blik en gedachten) voortdurend opeist, toont hij mij aan dat hij mij uitnodigt mij te schikken in de gewoonte hem te dragen. De les die hij mij geeft is dat er meer roem is te halen uit dergelijke dienst in zachtmoedig lijden voor een dan met eender welke overwinning bij een ander: jouw afwezigheid, lijden om jou is mij meer waard dan eender welke verovering.

De interpretatie: bovendien toont de armband aan dat onderwerping de pijn transformeert van pijnlijke hinder naar een aangename gewoonte (habitude), een letterlijke draaglijkheid, een mansuètude, de zachtheid van de deugd: er is dus werk nodig om de deugd te bereiken, ook al zijn je ogen er al voor geopend.

De armband/haarlok gegeven in opdracht van de Liefde, wordt aldus een instrument in de gedragstherapie die de Amant ondergaat. De Zon, in het vorige dizain nog beschreven als overspelige, wordt hier de instructeur van de Amant die moet leren omgaan met de onbereikbaarheid van zijn aan een ander beloofde beminde. Alleen zo kan Scève zijn lijfspreuk van het ‘souffrir’ als een ‘se offrir’ en dus als een ‘non souffrir’ waarmaken (‘Souffrir non souffrir’ is de ‘handtekening’ van Scève)

Dit soort minutieuse ontleding van het sentiment die de achterliggende ratio expliciteert in het gedrag van de Amant is heel frappant doorheen de Délie. Het is een vivisectie van het verlangen zelf, hoe de verlangensproductie in dit geval overgebracht wordt van een afwezig idool naar een aanwezig object. Het leest als de codering van de onderwerping door middel van een fetisj en is op die manier door analogie uitbreidbaar naar de idolatrie van het transcendente.

Merk op dat het zicht, het oog hier weer centraal staat in heel de gedachtebeweging: het is natuurlijk niet zomaar dat de eerste serie van dizaines in het teken staat van  het embleem ‘pour te voir je perds la vie’. Délie maakt God’s perfectie en de deugd zichtbaar en dat is net de functie van de rede in het rationalistisch pessimisme, Scève’s wereldbeeld dat we hanteren en opbouwen als hypothese bij dit onderzoek.

Het prentje:

delie_XII.jpg
dv 2017 – schema XII (aquarel A5)
Advertenties