XI

De l’Ocean l’Adultaire obstiné
N’eut point tourné vers l’Orient sa face,
Que sur Clytie Adonis jà cliné.
Perdit le plus de sa nayve grace.
   Quoy que du temps tout grand oultrage face,
Les seches fleurs en leur odeur vivront:
Proeuve pour ceulz, qui le bien poursuyvront
De non mourir, mais de revivre encore.
   Ses vertus donc, qui ton corps ne suyvront,
Dès l’Indien s’estendront jusqu’au More.

 

Vertaling

Van de Oceaan had de vasthoudende Overspelige
maar pas zijn gezicht gekeerd naar het Oosten
of Adonis richtte zich naar Clytia
en verloor het grootste deel van zijn natuurlijke gratie.
Welke grote schade ook de tijd aanricht
de droge bloemen leven voort in hun geur:
bewijs dat zij die het goede nastreven
niet [zullen] sterven, maar nog herleven.
Die deugden die jouw lichaam niet zullen volgen,
zullen zich strekken van bij de Indiër tot bij de Moor.

 

Commentaar

Délie wordt rechtstreeks aangesproken hier, ze is het afwezige brandpunt in regel 9 waar heel de wereld en de geschiedenis even in samenkomt om dan weer, vervuld van haar deugd zich als een baken voor de toekomst uit te spreiden tot in de verst bekende uithoeken.

De lyrische beweging licht/leven – donker/dood – licht/leven is van bij de eerste verzen groots en spectaculair.
De zonnegod Apollo is de actieve ‘Adultaire’: hij die het overspel bij Thetys die de gade is van Oceanos, elke nacht obstinaat forceert (de bron daarvan heb ik wel niet niet gevonden. Hij laat de Oceaan in duisternis, keert zijn gelaat naar het Oosten waar hij de volgende ochtend zijn klim aan de hemel zal beginnen.

Van dat weidse hemelbreed daalt en knoopt de blik terug aan met de bloemenbeeldspraak van de vorige dizains met het mythische duo Clytia en Adonis, beiden metamorfe bloemen: Clytia (Ovidius Metamorfosen boek IV 206-270), een van de talloze dochters van Tethys en Oceanos, wordt smachtend achtergelaten door Apollo die haar zus Leucoethea verkoos tot zich te nemen (nadat haar vrees haar zo mooi maakte dat de god zijn vermomming laat varen en zij smelt in zijn armen, smakelijk) en veranderd in een zonnebloem,  Adonis wordt na zijn dood  een anemoon.
De mythische ondertoon is die van de onvervulde liefde en tragische ondergang.

Het verwoestende werk van de tijd (r.5) brengt ons bij de verdroogde dode bloemen in een bad van donkere eur-klanken (‘fleurs’, ‘leur’, ‘odeur’ en ‘Proeuve’), waar de ratio het licht van de deugd aanschakelt: droge bloemen bewaren ook dood hun geur zoals ook de deugd in de mens (‘ceulz’) de dood overwint.

Onder de stervelingen is Délie dan de uitverkorene, ‘object de plus hault vertu‘ en incarneert het goddelijke licht dat straalt van bij de Indiër tot bij de Moor, daarmee benadrukkend dat zij ‘object’ is, door Scève’s ‘maintes erreurs’, zijn schrijven,  toch idool wordt,  voor de mensen.

Hier een Neo-Kathedraals ‘gignogram’ een diagram van de gemaakte beweging:

XI_2
dv 2017 – “gignogram dizain XI”

 

De beweging in zijn geheel ‘zuivert’ de met overspel en ondergang beladen antieke liefde via de rede tot een gesacraliseerde Mariale deugd.
Délie als een catharsis-moment.

Advertenties