VIII

Je me taisois si pitoyablement,
Que ma Déesse ouyt plaindre mon taire.
Amour piteux vint amyablement
Remedier au commun nostre affaire,
Veulx tu, dit il, Dame, luy satisfaire?
   Gaigne le toy d’un las de tes cheveulx.
Puis qu’il te plaict, dit elle, je le veulx.
Mais qui pourroit ta requeste escondire?
Plus font amantz pour toy, que toy pour eulx,
Moins reciproque a leur craintif desdire.

Vertaling

Ik zweeg zo erbarmelijk
dat mijn Godin mijn zwijgen hoorde klagen.
Meedogende Liefde kwam liefdevol [vriendelijk]
aan onze gemeenschappelijke zaak verhelpen.
Wil jij, vroeg hij, Dame hem genoegdoening schenken?
Gun hem een lok van je haar.
Omdat het jou bevalt, zegt zij, wil ik het.
Maar wie zou je vraag kunnen weigeren?
Meer doen de geliefden voor jou dan jij voor hen,
minder nadenkend dan (wederkerig aan)  hun bevreesde tegenspraak.

Noten

  • voor de trope van het zwijgende spreken verwijst Defaux met Paturier naar Ovidius, Ars Amatoria, 1.574: ‘Saepe tacens vocem verbaque vultus habet’ en een rondeau in de Recueil de vraye Poesie françoyse van 1544 : “En me taisant, mon mal je dy assez”. Defaux doet nog wat Petrarca in het zakje met R150, 9-10: ‘talor tace la lingua, e ‘l cor si lagna/ ad alta voce’
  • het beeld dat hier geschetst wordt van Délie is dat van een zelfgenoegzame beminde die Amor, de vijand van de Amant, best wel een lokje haar gunt omdat zulks de minnaar nog meer in haar macht brengt en haar niks kost (i.t.t. een kus of andere toegeving)
  • het laatste vers is wat ambigu en moeilijk te vertalen omdat er gespeeld wordt met de dubbele betekenis van ‘reciproque’: de liefdesgod heeft het helemaal niet zo moeilijk (‘reciproque = reflechi’ ) met het weigeren van gunsten dan de geliefden die geen verweer hebben tegen zijn macht en is dus niet in die mate onderhevig aan de wederkerigheid (‘reciproque = qui a lieu entre deux personnes, deux choses agissant l’une sur l’autre’)
Advertenties