VII

Celle beaulté, qui embellit le Monde
Quand nasquit celle en qui mourant je vis,
A imprimé en ma lumiere ronde
Non seulement ses lineamentz vifz:
Mais tellement tient mes espritz raviz,
En admirant sa mirable merveille,
Que presque mort, sa Deité m’esveille,
En la clarté de mes desirs funebres,
Ou plus m’allume, & plus, dont m’esmerveille,
Elle m’abysme en profondes tenebres.

Vertaling

De schoonheid die de wereld verrijkte
toen zij geboren werd in wie ik stervend leef
heeft in mijn ronde licht gedrukt
niet allen haar levendige lijnen:
zij heeft ook zodanig mijn geest verrukt
wijl die bewondert haar miraculeuze wonder,
dat bijna dood haar Godheid mij wekt
in de klaarte van mijn doodse verlangens
waar hoe meer zij mij aansteekt en meer, daar zij mij verwondert
zij gooit mij in de afgrond van diepe duisternis.

Noten

  • Defaux wijst hier terecht op het bijna mystieke spel van de licht-duisternis tegenstellingen met rijke resonantie in de bijbelse en Christelijke literatuur en appelleert ook specifiek aan de Christine uit de ‘Balladin’ van Clement Marot, diens laatste, onvoltooid gebleven werk.
  • Ook wordt weer het oog als ontvanger van het idool gethematiseerd, Délie drukt zich letterlijk in het oog van de Amant, een brandmerk van de Deugd, die in duisternis achterblijft.
  • Het moment-suprême wordt hier verschoven van de ontmoeting naar de geboorte van Délie, wat meer resonantie met de Maria-figuur toelaat.
  • er is een geweldige opbouw van de verheerlijking die de laatste regel als volkomen anticlimax des te treffender maakt…
Advertenties