1 – La Femme et la Lycorne – VI

E1-La Femme et la Lycorne
E1 – La femme et la Lycorne

Bij Embleem 1

motto van het eerste embleem: Pour le veoir je pers la vie’, volgens Defaux te lezen als ‘à cause de la vue je perds la vie’ (DEFAUX 2004, TII, p.23)

De legende van de Eenhoorn is welbekend, het embleem toont ons hoe de eenhoorn gevangen kan worden door toedoen van een voor hem onweerstaanbare maagd: het dier is in de val gelokt, gevangen en dodelijk gewond en sterft met zijn hoofd in de schoot van de maagd die hem lokte.
De Eenhoorn wordt in de Renaissance veel gezien als een onbeheerst, wild dier, symbolisch voor het ongecontroleerde seksuele verlangen, Leonardo da Vinci schrijft er zo over, maar in het algemeen wordt het verhaal gezien als de overwinning van de vrouw over de man en de volledige overgave van de man aan haar (COLEMAN 1981, p.7).

leonardo_unicorn
Leonardo, donzella met Eenhoorn. In zijn notaboek: “L’alicorno, ovvero unicorno, per la sua intemperanza e non sapersi vincere, per lo diletto che ha delle donzelle, dimentica la sua ferocità e salvatichezza; ponendo da capo ogni sospetto va alla sedente donzella, e se le addormenta in grembo; e i cacciatori in tal modo lo pigliano”.

De Eenhoorn komt terug in E26, als eerste over de helft van het werk als ‘Lycorne qui se voit’, de Amant die, alleen nu, zichzelf weerspiegelt ziet en zichzelf verbijsterd: ‘ De moy je m’ espouvante’ –solipsisme, pure spiegeling, het geweten schrikt van zichzelf ).

DEFAUX: de Eenhoorn is symbool van de Kuisheid (Chastité), maar hier gewond door de pijl van de Basilisque (Délie’s ogen), en zoekt dan vertroosting in de armen van diegene die hem verwondde. Instemmend slachtoffer, perfecte verbeelding van het hoofdmotto ‘Souffrir non Souffrir’.
In spiritueel opzicht kan de Eenhoorn gelezen worden als symbool van het vleesgeworden woord, de ‘miraculeuse sublimatie van het vleselijke leven’, van de Incarnatie en, ook , van de Onbevlekte Ontvangenis. Zie ook Hooglied 2.6.

Wat het embleem ons toont, in zijn geheel, is de onopgeloste spanning tussen Eros, verlangen en de ‘plus haute Vertu’, de Kuisheid.

VI

Libre vivois en l’Avril de mon aage,
De cure exempt soubz celle adolescence,
Ou l’oeil, encor non expert de dommage,
Se veit surpris de la doulce presence,
Qui par sa haulte, & divine excellence
M’estonna l’Ame, & le sens tellement,
Que de ses yeulx l’archier tout bellement
Ma liberté luy à toute asservie:
Et des ce jour continuellement
En sa beaulté gist ma mort, & ma vie.

Vertaling

Vrij leefde ik in het April van mijn leeftijd
vrij van zorgen in die adolescentie
waar het oog, nog geen expert van schade
zich verrast zag door de zachte aanwezigheid
die door haar hoge en goddelijke excellentie
mij ziel en zin zo in verwarring bracht [mij de Ziel verbaasde & ook de zin zodanig ]
dat de boog van haar ogen  heel zachtjes (bellement)
mijn vrijheid helemaal aan haar knechtte:
en sinds die dag voortdurend
beheerst haar schoonheid mijn dood en mijn leven.

Noten

Herhalingsdizain van de essentiele gegevens uit de eerste dizaines, het is een andere verwoording die meteen ook nauwer aansluit bij Petrarca, de subtekst is vooral R3 maar ook R23.1 ‘Nel dolce tempo de la prima etade’ en  R325.13: ‘ch’ era de ‘anno et di mi’ etate aprile’

r.2: ‘adolescence’ cf. L’Adolescence Clémentine,  het werk uit 1532 van Clement Marot een verzameling diens ‘jeugdwerken’. Adolescentie dient begrepen te worden als de eerste dertig levensjaren.
r.3: cf. r.4 van D3
r.9-10: refereert naar het devies van het Embleem 1, zodat we niet hoeven te twijfelen: de Délie is ‘ook’ het eerste Embleemboek in de Franse taal…(Defaux)

Advertenties